Even de grens over naar Laos

Na de ronde op de motor door het noorden van Vietnam met Bas moest ik Vietnam verlaten omdat mijn visum verliep. Omdat ik graag toch weer terug wilde en het liefste op een motor reis besloten we alleen Bas z’n motor te verkopen. Mijn motor liet ik opknappen om daarmee naar Laos te rijden.

En daar begon het avontuur. Zoals vaker bereid ik me niet heel erg voor en ga ik vaak op de bonnefooi ergens heen. Ik had de kaart van Laos erbij gepakt en daar een mooie route op uitgestippeld. In het noorden wilde ik de grens over en dan zou ik een jungletrekking doen in het noorden, met een slowboat naar Luang Prabang om via Vang Vieng en Thakhek weer terug te gaan naar Vietnam. 

Ik begon mijn route richting het noorden. Aangezien het een behoorlijke afstand was had ik een paar tussenstops ingepland. De eerste was in Mai Chau. Een mooi authentiek dorp waar ze op dat moment de nieuwe rijstvelden aan het planten waren. 

De rijstvelden van Mai Chau

De dag erna vertrok ik naar een stad waar niks te beleven was. Maar ik wilde een tussenstop hebben. Die avond ging ik eens googlen naar het passeren van een grens met een motor. En toen kwam ik erachter dat in Vietnam een grensovergang iets anders is dan in Europa. Iedere grensovergang heeft haar eigen regels. Diegene waar ik naar onderweg was niet bedoeld voor toeristen. Dagje voor niks wezen toeren op de motor.

De volgende dag ben ik helemaal teruggereden naar Mai Chau en zelfs nog een stuk verder. Die dag maakte ik 350 kilometer op de motor wat best een afstand is op die krakkemikkige motoren in Vietnam. Maar ik wilde zo snel mogelijk de grens over. Want dat was de enige reden dat ik daar reed. Dit keer had ik het dubbel gecheckt op het internet. En het werd zelfs beschreven als de overgang voor motorrijders. Top! 

Onderweg naar Na Meo

Na een nachtje in een veel te vies hotel te hebben geslapen op naar de nieuwe grensovergang bij Na Meo. ’s Ochtends vroeg vertrokken want het hotel was er een waar je het liefst zo snel uit weg bent. Rond halfnegen ’s ochtends kwam ik aan bij de grens. Zet de motor neer. En ik mocht naar douaneambtenaren. Zij keken een keer of 10 door mijn passpoort. Je hebt het nu wel een keer gezien dacht ik nog. En dat had ie ook. Hij draait zonder wat te zeggen een bordje om wat op de balie stond waarop stond dat je het land daar niet mag verlaten als je met een e-visum het land binnen bent gekomen. WHAAT??

Omdat ik online mijn visum heb aangevraagd mag ik hier het land niet verlaten? Wat is dat voor een onzin. Maar er was geen beweging in te krijgen. Ik moest volgens hun naar de volgende grens. Ik had nog twee dagen over op mijn visum. Dus dat werd weer een stukje toeren. Ik zet Google Maps aan naar de nieuwe grens bij Nam Can en zie dat ik nog een schitterende 500 kilometers voor de boeg heb. Kan niet wachten.. Letterlijk dan.

Het was een mooie weg naar die grens toe met veel bochten. En inmiddels was de motor wel vertrouwd. Dus ik reed, mede door het gezeik aan de grens, iets sportiever dan voorheen. Maar het waren overzichtelijke bochten met goed asfalt. 

Maar ook één bocht met olie. Eerst glijdt mijn voorwiel weg, daarna schiet mijn achterwiel weg. Ik hield de motor net overeind met een gangetje of 40. En ik kijk voor mij. Hebben ze een mooie betonnen greppel naast de weg. Inmiddels zat ik al op het vieze deel van de weg, dus remmen kon niet meer. Dus maar sturen en hopen op het beste. En het ging echt op een paar centimeter goed. Eén stepje zat letterlijk boven de greppel. Soms moet je een beetje geluk hebben.

Uiteindelijk die dag 550 kilometer op de motor gezeten. Ik wist aan het einde niet meer hoe ik moest zitten. Maar elke kilometer die ik pakte was meegenomen. De volgende ochtend moest ik nog een goed uur rijden naar de grens. 

Onderweg naar Nam Cam

Het kwam die ochtend met bakken uit de hemel. Maar ik had niet zoveel keus en stapte op de motor. Dicht bij de grens werd het nog enorm mistig, dus moest wat rustiger aan doen. Geheel doorweekt kom ik bij grensovergang aan. Maar wederom was ik blij dat ik er was. Ik loop met een smile naar binnen. Maar die wisten ze al snel van mijn gezicht af te halen. Deze keer hadden ze geen bordje op de balie, maar een papiertje op de muur waar ze naar wezen. 

Gelukkig wees hij er lachend naar, maar mijn smile was snel weg. Motor mocht niet mee. Ik wist dat je officieel een exportdocument moet hebben. Maar iedereen kwam altijd zo de grens over. Maar het geluk stond niet aan mijn zijde. Ik heb die gozer nog proberen om te kopen, maar dat was niet te doen. Ik bood hem letterlijk 100 dollar, wat echt een klap geld is Vietnam. Maar het leek hem niks te boeien. 

De motor mocht ik aan de grens stallen en later weer ophalen. Super chill, want het is echt de meest ongunstige grensovergang waar ik kon zijn. Maar ik had geen keus, want mijn visum verliep. Motor daar maar geparkeerd en moeilijk sacherijnig naar Laos gelopen. Daar vroeg ik hoe ik naar Luang Prabang kon komen. En dat was door drie uur te wachten op een bus. 

Uiteindelijk bleek de bus niet helemaal naar Luang Prabang te gaan, maar naar Phonsavan. Dus ik moest daar een andere bus pakken naar Luang Prabang. De eerste bus was een Vietnamese bus en dat zijn nog wel redelijke bussen. De tweede bus was een drama. Ik lag achterin de bus, wat één groot (of naja groot, met name breed) bed is. Daar mochten we gezellig met z’n zessen slapen. Of proberen in mijn geval. De locals hadden er beduidend minder moeite mee.

Toen ik de lol er nog van inzag

De hele busrit duurde 9 uur. De locals sliepen in alle houdingen. Eentje lag letterlijk met zijn hoofd op mijn buik. Een andere lag met zijn hoofd tegen mijn hoofd aan te bonken. Verschrikkelijk. Wat miste ik mijn motor direct. Tot slot kwam ik om 4 uur ’s nachts aan in Luang Prabang. Zonder hostel te hebben geboekt. Ook chill. Dus ik ben naar een hostel gegaan. Heb daar buiten moeten slapen. En de volgende nacht kon ik daar wel terecht. Maar ik was wel waar ik wezen wilde.

Luang Prabang

De eerste dag was ik moe en sacherijnig. Ik had spijt dat ik naar Laos was gegaan. Maar dat kwam alleen maar door het gezeur wat erbij kwam, waar Laos zelf niks aan kon doen. Dat kwam door de achterlijke regels van Vietnam. Gelukkig was Luang Prabang wel één van de chillste steden waar ik ben geweest. 

Er is niet zoveel te doen, maar het was heel relaxt. Het was een fijn en gezellig hostel waar ik verbleef. Dus maakte snel veel goed. In Luang Prabang ben ik naar een museum geweest dat gaat over de bommen die op Laos zijn gegooid in de Vietnam oorlog. Of zoals ze het zelf noemen de geheime oorlog. 

Want Laos is het meest gebombardeerde land ter wereld als je het afzet tegen het aantal inwoners. De Amerikanen hebben zich weer eens uitgeleefd. De Ho Chi Minh trail liep deels door Laos, maar de Amerikanen wisten niet heel goed waar. Dus ze hebben overal langs de grens clusterbommen gegooid. In totaal maar liefst 240 miljoen bommen. Waarvan 80 miljoen naar alle waarschijnlijkheid nooit zijn afgegaan.

Bijna elke dag, gemiddeld 300 keer per jaar, maken deze bommen nog slachtoffers in Laos. Het was een heel klein museum, maar ik vond het enorm indrukwekkend. Er werd een video afgespeeld van kinderen die gewoon aan het spelen waren toen ze op een bom stuitte. Allemaal verminkt voor het leven. En er is daar geen sociaal zorgstelstel zoals wij dat hebben. Dus die hele families gaan eraan onderdoor en die kinderen hebben amper een toekomst voor zich. 

Daarnaast is er nog een, letterlijk, grote attractie in Luang Prabang. Dat is een schitterende waterval. Hiervan een foto hieronder.

Wat wellicht nog veel grappiger was dat als je bovenaan 3 kilometer doorliep kwam je uit bij een klein restaurantje. Daar hebben ze een boom over het water liggen. En als je die oversteekt heen en terug zonder te vallen krijg je gratis bier. Maar als het niet lukt moet je de eigenaar een biertje geven. Ik heb echt een evenwicht van lik-me-vestje. Dat koste me een biertje.

Verder heb ik niet mega veel gedaan in Luang Prabang. ’s Avonds een keer wezen bowlen, want dat is de enige locatie die open is na 12 uur. Dus alle backpackers gaan daarheen om te drinken, wel grappig. Ook nog een dagje rondgetoerd op een scooter naar een grot met de bijnaam Buddha Cave, dat hoorde ik later pas. Anders was ik er nooit heen gegaan. En zou ook het beste zijn geweest. Het was by far de meest trieste grot die ik ooit bezocht heb. Het was een kleine grot, met allemaal kleine buddha beeldjes. En daar moest ik nog entreegeld voor betalen ook.  

Een andere Nederlander had het idee om na Luang Prabang naar Nong Khiaw te gaan. Ik had er nooit van gehoord. Wist niet wat er te doen was, maar ik ging maar mee. 

Nong Khiaw

Het blijkt een dorp te zijn zo’n 4 uur rijden vanaf Luang Prabang. Er zijn wat activiteiten te doen rondom het dorp. Maar de grootste reden om er te komen is voor de natuur. En dat is echt schitterend! We zaten in de bus met bijna alleen maar mensen vanuit hetzelfde hostel. Dus dat was direct ook heel gezellig.

De eerste avond gingen we naar een viewpoint. En dat is zeker één van de betere viewpoints waar ik ben geweest. Hier had je 360 graden mooie vergezichten. We waren hier met zonsondergang wat het alleen maar beter maakte. 

De volgende dag deden we een toer naar de 100 waterfalls. Geen idee wat het was, maar volgens andere leuk. Het had vast iets te maken met een waterval. Ons werd aangeraden om waterschoentjes te halen, want er moest ook gelopen worden in het water. Klinkt goed, maar mijn maat 45 zijn ze niet gewend in het nog niet heel toeristische dorp. Gelukkig kwamen we nog tot 44. Dus dat kon wel voor een dagje.

Met een mooie boottocht werden we naar een klein dorpje gebracht. Vanuit hier liepen we naar en uiteindelijk in de waterval. Want het gave aan de activiteit was. We klommen de gehele waterval op. En bovenaan hadden we wederom een heel gaaf uitzicht. Daarnaast hadden we een hele leuke groep dus vermaakten we ons allemaal prima.

Na de waterval stond er nog een grot op het programma. Vind grotten niet altijd even spannend, maar als we er toch zijn. Toch werd het een bijzondere grot. In deze grot leefden tijdens de geheime oorlog veel locals. Dat opzich is niet zo heel spectaculair, maar dat werd het wel toen we er zelf in gingen.

Het smalste deel van de grot is namelijk 30 bij 75 centimeter. En ik zou nooit van mijn leven daar doorheen durven als er niet iemand bij was die het eerder had gedaan. Kreeg al claustrofobie bij het zien ervan. Maar er gingen een paar voor. Armen gestrekt, want anders past het niet. En dan soort van kruipend door het smalste deel, wat ongeveer 3 meter lang was. Daarna moest ik nog 50 meter tijgeren alvorens ik weer kon staan.

Ik kreeg toch een beetje een benauwd gevoel van dat geklauter. Maar daarom wilde ik het juist doen. In de grot zag je nog allemaal verroeste blikjes die waarschijnlijk nog uit de tijd stammen van toen ze daar woonden. De grot was spekglad en uiteindelijk best diep. Bijna aan het einde ging de grot twee kanten op. Bij beide stonden borden. Eentje zei: Danger, don’t go here. De andere zei: Danger. Dus daar mocht je wel heen. Al glijdend ging ik zo beetje naar beneden en ik vroeg nogmaals aan die gozer die er eerder was geweest. Ben je ook zover geweest en hoe kom je eruit? Maar dat was volgens hem prima te doen. Dus ik volgde maar.

Toen bereikten we het einde. En er was verder niks bijzonders te zien. Het was vooral de uitdaging van de grot die het toch wel heel gaaf maakte. De terugweg gleed ik nog een keer weg, maar uiteindelijk was het best prima te doen om eruit te komen. We zaten helemaal onder de modder en troep van de grot. Maar een leuke ervaring en ik had voor het eerst een soort claustrofobische ervaring. Kan ik dat ook weer afvinken.

De dag erna gingen we weer verder. We gingen naar Vang Vieng. Een echte backpackers stadje. Alles draait daar om toeristen. Negen uur moesten we in de bus zitten en we zagen er allemaal redelijk tegenop. Want de wegen zijn soms echt verschrikkelijk in Laos. Maar het is niet anders.

Vang Vieng

De busreis viel alles mee. We waren eigenlijk de hele tijd alleen met onze groep. Dus we hadden prima de ruimte. Halverwege hadden we een stop, waar we wat drank insloegen en dat maakte het tweede deel extra aangenaam. We speelde onze eigen muziek. De chauffeur stopte wanneer wij dat wilden, want van bier en hobbelige wegen zorgden ervoor dat we vaak naar de WC moesten. Maar dat was geen probleem voor de chauffeur. Ik had vooraf de hele tijd gezegd dat ik eigenlijk nooit slaap in bussen. Maar ze moesten me wel wakker maken toen we in Vang Vieng waren, haha. 

Vang Vieng staat bekend om het tuben. Ze gooien je dan in een rivier met een oude vrachtwagen band en onderweg kom je langs wat barretjes waar je drinken kan kopen en een feestje wordt gevierd. Vroeger hadden ze heel veel barren, maar dat hebben ze snel teruggedraaid toen er in korte tijd veel doden vielen. Dus nu zijn het er nog maar drie, maar dat is voldoende. 

Maar we gingen niet gelijk de eerste dag tuben. We besloten om naar een van de vijf lagoons te gaan. Wat een leuke dagactiviteit is. De tweede dag wilde we gaan tuben, maar toen had ons hostel een poolparty. Ten eerste is dat leuk en daardoor ging bijna niemand tuben. Dus zou het tuben ongezelliger zijn. Dus nog een dag uitgesteld.

Maar de derde dag gingen we dan eindelijk tuben. In totaal gingen er 130 man vanuit ons hostel mee. Dus echt een gigantische groep. We kochten goedkope Laotiaanse wodka en cola om mee te nemen. Kochten een drybag en daar gingen we.

Elke bar waar we kwamen waren enkele activiteiten te doen. Het was echt gigantisch gezellig. We hadden een fantastische groep. Elke bar werd het steeds wat gekker, maar het bleef allemaal binnen de perken. Ja, een leuke activiteit om te doen! Hoe simpel kan het zijn. Gooi wat volwassenen in een oude vrachtwagen band en geef ze wat drinken een paar en ze hebben de dag van hun leven.

Na Vang Vieng ging ik naar Thahkek om daar een bekende motorloop te doen. Maar daar kom ik in een ander stuk wel weer op terug. 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

2 reacties